Eten & Drinken

  • Gastronomie
  • Wijn

Gastronomie

Hongaren houden van lekker eten en dat zult u tijdens uw verblijf dan ook merken. Het traditionele Hongaarse eetcafé is nooit weg geweest en heeft na de omwentelingen van 1989 een spectaculaire bloei gekend. Vooral in de grote steden als Boedapest vindt u prachtige, gerestaureerde etablissementen met een barok of fin de siècle interieur. Minstens even geliefd is wat er van zoetigheden op tafel komt: de Hongaar is een zoetekauw, en in de cukrászda, de patisseriezaak, vindt hij zijn gading.
De rijke fauna uit de Hongaarse bossen en poesta’s vindt u terug op uw bord in het restaurant: zowel házinyúl (konijn) als vadnyúl (haas) staan regelmatig op het menu, net als kacsa (eendenborst), libamáj pástétom (ganzenlever) of fácán (fazant). Met de vele rivieren en meren die Hongarije rijk is, is het niet verwonderlijk dat nyelv (riviertong), pisztráng (forel), ponty (karper), csuka (snoekbaars) en lazac (zalm) op allerlei manieren worden geserveerd. De bij ons bekende ingrediënten van de Hongaarse keuken zijn van oudsher de paprika en de paradicsom (tomaat), maar de landbouw produceert ook veel aubergines, knoflook, aardappelen en uien. Wist u dat de echte goulash nogal anders is dan de versie die wij hier kennen? Echte gulyásleves is een dikke soep met stukjes rundsvlees, aardappelen, knoflook, paprika en tomaten, waar u steevast een lekker stuk brood bij krijgt.

Hongarije gaat terecht prat op zijn vele soorten soepgerechten, waarvan de meeste gewoon een hele maaltijd vormen. Hartige soepen als de bogrács of de vele soorten bonensoepen worden dikwijls door een lichte, warme pudding of door flensjes gevolgd. Er is natuurlijk de Hongaarse vissoep, een soep die haar rode kleur dankt aan de paprika’s die er in verwerkt zijn. Zo’n soep laat de Hongaar graag volgen door een bord zelfgemaakte knoedels, liefst met spekjes, kaas en room. Een specialiteit die bijna even bekend is als de mythische goulash is de pörkölt, een paprikastoofpot waarin naar believen mager vlees of vis wordt verwerkt en die wordt afgemaakt met een scheutje zure room.
U moet in Hongarije echter niet altijd een restaurant in om uw hongerige maag te stillen –hoewel we u die ervaring zeker willen aanbevelen. Zeker in de grote steden eet u de lekkerste hapjes ook gewoon in een bar of aan een stalletje op straat. Pikante worstjes met paprika en knoflook worden zowat overal verkocht, een stukje gegrilde kip met het erg lekkere witte tarwebrood smaakt heerlijk bij een glaasje wijn in een bar.
De grote steden in Hongarije bieden een grote waaier aan eetgelegenheden, in alle prijscategorieën. Als u binnenstapt in een étterem bent u in een restaurant, waar men zowel Hongaarse als internationale gerechten serveert. Loopt u langs in één van de talloze csárda die u overal in het land vindt, dan bent u in een folkloristisch, zeer typisch restaurant waar u meestal de lekkerste, interessante lokale specialiteiten kunt proeven. Een halászcsárda vergast u vooral op visgerechten en soep. Voor wie even weg wil van de grotere eetgelegenheden zijn er nog de kleinere restaurants en ook die twee types vindt u op de meeste plaatsen in het land: er is de vendéglő, het informele, kleine "restaurant om de hoek", en er is de kisvendéglő, de "kleine herberg" die veel weg heeft van een gezellig eetcafé.
[Bron: Hongaars Verkeersbureau]
[Terug naar boven]

Wijn

De in de rest van de wereld bekendste Hongaarse wijnen zijn de Tokaji, de wijnen uit de omgeving van het stadje Tokaj, in het noordoosten van het land. Hier komen de wijnen vandaan die door de Franse koning Lodewijk XIV de "wijn voor koningen en koning van de wijnen" werden genoemd. Eén van de betere Tokaji wijnen is de Tokaji-Furmint, waarvoor de wijnstokken in de 13de eeuw door Waalse wijnbouwers in de streek zijn geïntroduceerd. Er is al vele eeuwen lang een bekende wijnproductie in de buurt van Tokaj, maar de beroemde Aszú-methode, die de wijn ver boven vele buitenlandse concurrenten uittilt, is slechts in de 17de eeuw gemeengoed geworden. Voor de Tokaji Aszú worden de druiven aan de wijnstokken gelaten tot ze rot zijn, zodat ze een hoog suikergehalte hebben opgebouwd. Pas eind oktober worden de druiven dan één voor één met de hand geplukt, waarna de wijn tussen vier en zes jaar moet rijpen in kleine fusten en na het bottelen staande wordt bewaard.
 

Er zijn meerdere grote wijnen die door dit kleine wijngebied –slechts 28 dorpen- worden geproduceerd, maar slechts enkele vinden hun weg naar de export. De beroemde Tokaji Eszencia bijvoorbeeld, die minstens tien jaar op eikenhout moet rijpen, kent zo’n kleine, exclusieve productie dat u zich bevoorrecht mag noemen als u hem ooit te proeven krijgt… Het centrum van de Hongaarse wijnbouw is Budafok, ten zuiden van Budapest. In dit voorstadje liggen voormalige steengroeven die vandaag worden gebruikt om de wijn van Budafok te laten rijpen: hier ligt in totaal meer dan 100 km aan wijnkelders onder de grond… Hier komen o.m. de Hongaarse champagnes, de Törley, vandaan.

Na de Tokaji zijn de wijnen van Badacsony, aan het Balatonmeer, de belangrijkste. Rijpe, karaktervolle wijnen zijn dit, met de aromatische Kéknyelü en de zoetere Szürkebarát als bekendste. Op de naar het zuiden gerichte vulkanische hellingen komen hoofdzakelijk droogzoete witte wijnen, geperst uit van oorsprong Italiaanse rieslingdruiven. Volgens de kenners lijken deze wijnen voor wat de smaak betreft erg op de witte Spaanse Rioja’s. Weet u trouwens door welke taalkundige gril de bekende Szürkebarát zijn naam heeft gekregen? De naam betekent letterlijk "grijze monnik" en is waarschijnlijk afgeleid van de Franse druif die er aan de grondslag van ligt, de "Pinot Gris"…
Ook bekend, zij het dan voor een ongewone reden, zijn de lekkere wijnen uit Eger, ten noordoosten van Budapest. Aan de voet van het Bükk-gebergte strekken zich hier enorme gangenstelsels uit waarin de wijn uit Eger geduldig ligt te wachten op de export. De beroemdste Hongaarse wijn kennen we nl. allen onder de benaming "Stierenbloed". De Egri Bikavér, de dieprode tafelwijn, werd ten tijde van de Turkse belegering in de 16de eeuw door de vrouwen aangelengd met echt stierenbloed, zodat hun mannen beter zouden aanvallen…

Mecsekalja de druivenrassen van deze wijngaard leveren een uitgebreide reeks witte droge wijnen, van zoet tot mild. Voor de zeer geurige wijnen wordt het ras Cirfandli gebruikt.

Szekszárd en Villány-Siklós deze wijngaarden, die op löss- en kleigrond liggen, produceren rode gespierde wijnen van de druivenrassen Kéfrankos en Kadarka. De door Franz Liszt gewaardeerde Szekszárdi Bikavér ondervindt heden ten dage concurrentie van andere cru’s, geproduceerd uit Franse druivensoorten zoals de Merlot met zijn fluweelachtige smaak en de Villányi Cabernet waarvan het aroma doet denken aan bramen en pruimedanten. De koppige wijnen komen goed tot hun recht in combinatie met ragout of grilgerechten.

Met zo veel soorten lekkere wijn zouden we bijna uit het oog verliezen dat Hongarije nog vele andere, lekkere drankjes voor u in petto heeft: op het platteland vindt u bijna geen boer die niet zijn eigen, zelfgemaakte pálinka stookt. U moet alleen maar eens langs één van de kleurijke marktjes halt houden om de overvloed aan ruchtenbrandewijn te zien…en te proeven: pálinka van kersen, van abrikozen, van appels of van welke vruchten ook. Eet er uit het stalletje daarnaast een lekker stukje Hongaarse pikante worst bij en uw dag kan niet meer stuk…
[Terug naar boven]

[Bron: Hongaars Verkeersbureau]